Aangezien antimicrobiële middelen de levende
Chl. felis vaccinstam kunnen inactiveren dient
tijdens vaccinatie en gedurende een periode van 2
weken daarna een systemische antimicrobiële therapie
vermeden te worden.
Maternale antistoffen, die tot een leeftijd van
9-12 weken aanwezig kunnen zijn, kunnen het
resultaat van de vaccinatie ongunstig beïnvloeden.
Het is mogelijk dat vaccinatie in de aanwezigheid
van
maternale
antistoffen de klinische verschijnselen, leukopenie
en virusuitscheiding als gevolg van een FPLV
infectie niet volledig kan voorkomen en de
bescherming tegen een Chl. felis infectie kan
verminderen. In gevallen waar een hoog niveau
maternale
antistoffen wordt verwacht dient het
vaccinatieschema overeenkomstig aangepast te worden.
Speciale voorzorgsmaatregelen voor gebruik bij
dieren
- Vaccineer alleen gezonde dieren.
- De Chl. felis vaccinstam kan gedurende meer
dan 21 dagen door gevaccineerde katten worden
uitgescheiden en kan zich verspreiden naar
niet-gevaccineerde dieren zonder klinische
verschijnselen te veroorzaken.
Speciale voorzorgsmaatregelen, te nemen door
degene die het geneesmiddel aan de
dieren toedient
- Personen met immunodeficiëntie of personen die
immunosuppressieve middelen gebruiken wordt
aangeraden contact met het vaccin te vermijden.
Eigenaren dienen geïnformeerd te worden dat sommige
gevaccineerde katten Chl. felis uit kunnen scheiden.
- In geval van accidentele zelfinjectie dient
onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd, hem de
bijsluiter of het etiket te worden getoond en de
aanwezigheid van een levende Chlamydia component
genoemd te worden.
Bijwerkingen
Een lichte, pijnlijke zwelling kan gedurende 1-2
dagen op de injectieplaats waargenomen worden.
Een lichte, voorbijgaande verhoging van de
lichaamstemperatuur (tot 40oC) kan gedurende 1-2
dagen voorkomen.
In sommige gevallen kan niezen, hoesten,
neusuitvloeiing en een lichte sloomheid of
verminderde eetlust waargenomen worden tot 2 dagen
na vaccinatie.
Gebruik tijdens dracht en lactatie
Niet gebruiken tijdens dracht en lactatie, aangezien
gebruik bij drachtige en lacterende katten niet
onderzocht is. Levend FPL virus kan tot
reproductieproblemen bij drachtige katten en
geboorteafwijkingen bij het nageslacht leiden.
Interactie met andere geneesmiddelen en andere
vormen van interactie
Er is geen informatie beschikbaar over de veiligheid
en werkzaamheid van gelijktijdig gebruik van dit
vaccin met andere vaccins. Het wordt daarom
aangeraden geen ander vaccin toe te dienen in de
periode van 14 dagen vóór tot 14 dagen na
vaccinatie. |