Naam en adres van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen
en de fabrikant verantwoordelijk voor vrijgifte, indien verschillend
Registratiehouder:Boehringer Ingelheim Vetmedica GmbH |
Fabrikant verantwoordelijk voor vrijgifte:
|
Aard van het middel
Antiparasitair middel.
Benaming van het diergeneesmiddel
NexGard Combo spot-on oplossing voor katten < 2,5 kg
NexGard Combo spot-on oplossing voor katten 2,5 - 7,5 kg
Samenstelling
Per spot-on applicator:
Werkzame bestanddelen:
| NexGard Combo | Volume per eenheidsdosis (ml) |
Esafoxolaner (mg) |
Eprinomectine (mg) |
Praziquantel (mg) |
| Katten 0,8 – < 2,5 kg | 0,3 | 3,60 | 1,20 | 24,90 |
| Katten 2,5 – < 7,5 kg | 0,9 | 10,80 | 3,60 | 74,70 |
Hulpstoffen:
Butylhydroxytolueen (E321): 1 mg/ml
Heldere kleurloze tot lichtgele tot lichtbruine oplossing.
Doeldiersoorten
Kat.
Indicaties voor gebruik
Voor katten met, of met risico op, gemengde infecties door cestoden, nematoden en ectoparasieten.
Het diergeneesmiddel is uitsluitend geïndiceerd wanneer alle drie groepen tegelijk het doelwit zijn.
Ectoparasieten
- Behandeling van infestaties met vlooien (Ctenocephalides felis). Eén behandeling doodt vlooien direct en aanhoudend gedurende één maand.
- Het diergeneesmiddel kan worden gebruikt als onderdeel van een behandelingsstrategie voor de bestrijding van vlooienallergie dermatitis (VAD).
- Behandeling van infestaties met teken. Eén behandeling doodt teken direct en aanhoudend gedurende één maand bij Ixodes scapularis en Ixodes hexagonus en gedurende vijf weken bij Ixodes ricinus.
- Aanhoudend doden van teken van 7 dagen tot vijf weken na behandeling bij Rhipicephalus sanguineus.
- Behandeling van infestaties met oormijten (Otodectes cynotis).
- Behandeling van kattenschurft, veroorzaakt door Notoedres cati.
Cestoden
Behandeling van infecties met lintwormen (Dipylidium caninum, Taenia taeniaeformis, Echinococcus multilocularis, Joyeuxiella pasqualei en Joyeuxiella fuhrmanni).
Nematoden
- Preventie van hartwormziekte (Dirofilaria immitis) gedurende één maand.
- Behandeling van infecties met gastro-intestinale nematoden (L3, L4 larven en volwassen stadia van Toxocara cati, L4 larven en volwassen stadia van Ancylostoma tubaeforme en Ancylostoma ceylanicum, en volwassen stadia van Toxascaris leonina en Ancylostoma brazilienze).
- Behandeling van infecties met feline longwormen (L4 larven en volwassen Troglostrongylus brevior, L3, L4 larven en volwassen stadia van Aelurostrongylus abstrusus).
- Preventie van aelurostrongylose (door vermindering van de infectiegraad met L3 en L4 larven van Aelurostrongylus abstrusus).
- Behandeling van infecties met blaaswormen (Capillaria plica).
- Behandeling van infecties met oogwormen (Thelazia callipaeda).
Contra-indicaties
Niet gebruiken bij overgevoeligheid voor de werkzame bestanddelen of (één van) de hulpstoffen.
Speciale waarschuwingen
Speciale waarschuwingen:
Wanneer het diergeneesmiddel wordt toegediend bij langharige rassen, dient speciale aandacht besteed te worden aan het toedienen, om ervoor te zorgen dat het diergeneesmiddel direct op de huid wordt toegediend en niet op de vacht, aangezien dit kan leiden tot een lagere biologische beschikbaarheid van de werkzame bestanddelen.
Teken en vlooien moeten zich met de gastheer gaan voeden om aan esafoxolaner te worden blootgesteld; daarom kan het risico op overdracht van door geleedpotigen overgedragen ziekten niet worden uitgesloten.
Katten in gebieden endemisch voor hartworm, of die gereisd hebben naar endemische gebieden, kunnen geïnfecteerd zijn met volwassen hartwormen. Hoewel het diergeneesmiddel veilig kan worden toegediend aan met volwassen hartwormen geïnfecteerde katten, is er geen therapeutisch effect tegen volwassen Dirofilaria immitis vastgesteld. Daarom wordt aanbevolen dat alle katten van 6 maanden of ouder, die in gebieden leven waar hartworm endemisch is, worden getest op bestaande volwassen hartworminfectie voorafgaand aan de behandeling met het diergeneesmiddel voor hartwormziekte preventie.
Lintworminfectie kan opnieuw optreden, tenzij bestrijding van tussengastheren zoals vlooien, muizen enz. wordt uitgevoerd. Sommige katten met een patente Joyeuxiella spp. of Dipylidium caninum infectie kunnen desondanks een hoge proportie van juveniele wormen huisvesten, die minder gevoelig zijn voor het diergeneesmiddel; daarom wordt bij zulke infecties een hercontrole na behandeling aanbevolen.
Parasitaire resistentie tegen elke bepaalde klasse van antiparasitaire middelen die deel uitmaakt van het vaste combinatiemiddel, kan zich ontwikkelen na herhaaldelijk gebruik van antiparasitaire middelen uit die klasse gedurende een langere periode. Daarom moet rekening worden gehouden met epidemiologische informatie over de huidige gevoeligheid van de doelsoorten om de mogelijkheid van een toekomstige selectie voor resistentie te beperken.
Onnodig gebruik van antiparasitica of gebruik anders dan aangegeven in de SPC kan de selectiedruk op resistentie verhogen en leiden tot verminderde werkzaamheid. De beslissing om het
diergeneesmiddel te gebruiken dient gebaseerd te zijn op bevestiging van de parasitaire soort en mate van besmetting, of op een inschatting van het risico van een herbesmetting gebaseerd op
epidemiologische eigenschappen.In afwezigheid van een risico op co-infectie dient een diergeneesmiddel met een smal spectrum gebruikt te worden.
De mogelijkheid dat andere dieren in hetzelfde huishouden een bron van herinfectie met vlooien of wormen kunnen zijn, moet in overweging worden genomen, en indien nodig moeten deze behandeld worden met een geschikt diergeneesmiddel.
Vermijd het wassen met shampoo van het dier binnen 2 dagen na toepassing, omdat de effectiviteit van het diergeneesmiddel in dit geval niet is getest.
Om herinfestatie door het opduiken van nieuwe vlooien te verminderen, wordt aanbevolen om alle katten in een huishouden te behandelen. Andere diersoorten die in hetzelfde huishouden leven, moeten ook met een geschikt diergeneesmiddel worden behandeld.
Alle stadia van de vlooien kunnen de mand van de kat, het beddengoed en de gewoonlijke rustplaatsen, zoals tapijten en gestoffeerde meubels, infesteren. In geval van massale vlooien infestatie en bij aanvang van de beheersingsmaatregelen dienen deze plaatsen te worden behandeld met een geschikt middel voor de omgeving en vervolgens regelmatig te worden gestofzuigd.
Eén laboratoriumonderzoek tegen een tekensoort heeft aangetoond dat het dragen van een kraag of kap vanaf het moment van behandeling tot twee dagen daarna de werking van het diergeneesmiddel kan vertragen.
Speciale voorzorgsmaatregelen voor veilig gebruik bij de doeldiersoort(en):
Uitsluitend voor spot-on toediening. Niet injecteren, niet oraal of via een andere weg toedienen.
Vermijd contact met de ogen van de kat. Als er per ongeluk oogcontact optreedt, spoel de ogen dan onmiddellijk met schoon water. Als de ogen geïrriteerd blijven, raadpleeg dan een dierenarts.
Het is belangrijk om het diergeneesmiddel aan te brengen op een huidgebied waar de kat het er niet af kan likken: op de middenlijn van de nek, tussen de schedelbasis en schouderbladen. Voorkom dat dieren elkaar likken totdat de behandelde plaats niet meer zichtbaar is. Orale inname van het diergeneesmiddel kan leiden tot hypersalivatie bij de kat.
De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet getest bij kittens jonger dan 8 weken. Het diergeneesmiddel is bestemd voor gebruik bij kittens van tenminste 0,8 kg en vanaf 8 weken oud.
Het diergeneesmiddel dient uitsluitend te worden gebruikt bij bevestigde gemengde infecties of wanneer katten een aanzienlijk risico lopen op een dergelijke gemengde infectie met ectoparasieten en nematoden en wanneer een gelijktijdige behandeling tegen cestoden is geïndiceerd. Indien er geen risico op co-infestatie bestaat, moet het gebruik van een smal spectrum parasiticide overwogen worden als een eerstelijnsbehandeling.
De reden voor het voorschrijven en de gebruiksfrequentie moeten worden afgestemd op de individuele behoefte van de kat, op basis van een klinische beoordeling, de leefwijze van het dier en de lokale epidemiologische situatie (inclusief, waar relevant, zoönotische risico's) om uitsluitend situaties van gemengde infecties/risico op infectie aan te pakken.
Het diergeneesmiddel mag niet bij andere katten/dieren worden gebruikt zonder voorafgaand overleg met de dierenarts.
Herhaaldelijke behandeling moet beperkt worden tot individuele situaties (zie rubriek “aanwijzingen voor een juiste toediening” voor richtlijnen voor behandeling), met een minimaal interval van
4 weken. De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet getest bij gebruik langer dan 6 maanden (zie ook rubrieken “Speciale waarschuwingen” en “Overdosering”), daarom wordt aanbevolen om niet meer dan 6 opeenvolgende behandelingen binnen een periode van 12 maanden te geven.
Echinococcose vormt een gevaar voor mensen en is een aangifteplichtige ziekte bij de wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH). In geval van echinococcose moeten specifieke richtlijnen voor de behandeling en de hercontrole en voor de bescherming van personen worden gevolgd. Deskundigen of instituten op het gebied van parasitologie moeten worden geraadpleegd.
Speciale voorzorgsmaatregelen te nemen door de persoon die het diergeneesmiddel aan de dieren toedient:
Niet roken, drinken of eten tijdens het aanbrengen.
Handen wassen direct na gebruik.
Gebruikte applicatoren moeten onmiddellijk worden weggegooid en buiten het zicht of bereik van kinderen worden gehouden.
Vermijd contact van de inhoud van de applicator met de vingers. Indien dit optreedt, handen wassen met water en zeep. Dit diergeneesmiddel kan oogirritatie veroorzaken, wat in uitzonderlijke gevallen ernstig kan zijn. In geval van accidentele blootstelling aan de ogen, spoel de ogen onmiddellijk en zorgvuldig met water. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig, na de eerste 5 minuten, en ga dan verder met spoelen. Raadpleeg een arts en toon de bijsluiter of het etiket.
Zorg ervoor dat het behandelde gebied niet meer zichtbaar is voordat u de toedieningsplaats weer aanraakt. Kinderen mogen niet met de behandelde dieren spelen totdat de toedieningsplaats droog is en het wordt aanbevolen dat recent behandelde dieren niet bij de eigenaar slapen, vooral niet bij kinderen.
Aanbevolen wordt om de dieren in de avond te behandelen om zo contact met mensen na behandeling te reduceren.
Personen met een bekende overgevoeligheid voor esafoxolaner, eprinomectine of praziquantel of voor een van de hulpstoffen moeten contact met het diergeneesmiddel vermijden.
Aangezien uit proefdierenonderzoek foetotoxische en teratogene effecten naar voren zijn gekomen bij significante dagelijkse blootstelling aan glycerolformal, moeten zwangere vrouwen handschoenen dragen wanneer ze het diergeneesmiddel toedienen om direct contact met het diergeneesmiddel te vermijden.
Dracht en lactatie:
Kan gebruikt worden bij drachtige en zogende poezen.
Vruchtbaarheid:
Kan gebruikt worden bij fokpoezen.
De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet bewezen bij fokkaters.
Uit laboratoriumonderzoek bij ratten en konijnen zijn geen gegevens naar voren gekomen die wijzen op nadelige effecten van de werkzame bestanddelen op het voortplantingsvermogen bij mannelijke dieren. Uitsluitend gebruiken bij fokkaters overeenkomstig de baten-risicobeoordeling door de behandelende dierenarts.
Overdosering:
De veiligheid is geëvalueerd met tot 5 keer de maximale aanbevolen dosis bij gezonde kittens van 8 weken en ouder die tot 6 keer met tussenpozen van 4 weken werden behandeld. Bij 3 keer de
maximaal aanbevolen dosis werden er geen ongewenste effecten waargenomen. Bij 5 keer de maximale aanbevolen dosis werd na de derde behandeling één enkele ongewenste schadelijke
neurologische reactie (ataxie, desoriëntatie, apathie, tremoren, onderkoeling en pupilverwijding) waargenomen en deze was reversibel na het wassen van de toedieningsplaats, noodmaatregelen en symptomatische behandeling. Bij sommige dieren werden bij 5 keer de maximaal aanbevolen dosis donkerrode subcutane plekken op de behandelingsplaatsen waargenomen.
Bijwerkingen
Kat:
Soms (1 tot 10 dieren/1 000 behandelde dieren):
Hypersalivatie1 (verhoogde speekselvloed), diarree1, emesis1 (braken), alopecia (kaalheid) op de toedieningsplaats1,2, pruritus (jeuk) op de toedieningsplaats1,2, lethargie1 (verminderde activiteit) en anorexie1 (verlies van de eetlust).
1 Meestal milde reacties, van korte duur en zelflimiterend.
2 Voorbijgaand
Het melden van bijwerkingen is belangrijk. Op deze manier kan de veiligheid van een diergeneesmiddel voortdurend worden bewaakt. Indien u bijwerkingen vaststelt, zelfs wanneer die niet
in deze bijsluiter worden vermeld, of u vermoedt dat het geneesmiddel niet heeft gewerkt, neem dan in eerste instantie contact op met uw dierenarts. U kunt bijwerkingen ook melden aan de houder van de vergunning voor het in de handel brengen of de lokale vertegenwoordiger van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen met behulp van de contactgegevens aan het einde van deze bijsluiter of via uw nationale meldsysteem.
Dosering voor elke diersoort, toedieningswijzen en toedieningswegen
Voor topicale toediening op de huid (toediening als spot-on).
Dosering:
De aanbevolen minimumdoses zijn 1,44 mg/kg esafoxolaner, 0,48 mg/kg eprinomectine en 10 mg praziquantel per kg lichaamsgewicht.
Aanwijzingen voor een juiste toediening
Selecteer de juiste applicatorgrootte voor het gewicht van de kat (0,3 of 0,9 ml, zie rubriek
“Samenstelling”). Om een juiste dosering te waarborgen dient het lichaamsgewicht zo nauwkeurig
mogelijk bepaald te worden. Onderdosering kan leiden tot ineffectief gebruik en kan de ontwikkeling
van resistentie bevorderen.
Wijze van gebruik:
- Gebruik een schaar om de blisterverpakking langs de stippellijn open te knippen.
- Trek vervolgens het folie weg.
- Haal de applicator uit de verpakking en houd deze rechtop met de rubberen dop omhoog. Trek de zuiger iets terug (ongeveer 1 cm). Let op dat de zuiger er niet uit komt.
- Draai en trek de dop eraf.
- Scheid de vacht op de middenlijn van de nek, tussen de schedelbasis en de schouderbladen, tot de huid zichtbaar is. Plaats de punt van de applicator op de huid en breng de gehele inhoud langzaam direct op de huid aan op één plek. Het diergeneesmiddel moet toegediend worden op een droge huid, op een plek waar de kat het er niet van af kan likken. Bij langharige rassen moet speciaal aandacht worden besteed aan het toedienen van het diergeneesmiddel op de huid en niet op de vacht, om optimale werkzaamheid te garanderen.
- Was uw handen na gebruik.
Behandelingsschema:
Voor de behandeling van infestaties met vlooien en/of teken en/of mijten, en de gelijktijdige behandeling van gastro-intestinale en/of pulmonale, en/of vesicale nematoden, en/of oogwormen, en cestoden, dient een enkele dosis van het diergeneesmiddel te worden toegediend. De noodzaak en de frequentie van herbehandeling moet in overeenstemming zijn met het advies van de behandelende dierenarts en er moet rekening worden gehouden met de lokale epidemiologische situatie en de leefwijze van de dieren (bijv. toegang tot buitenshuis). Zie ook rubriek “Speciale waarschuwingen”.
Gebieden die niet endemisch zijn voor hartworm of feline longworm:
Katten die niet worden blootgesteld aan een permanent risico op hartworm- of feline longworminfectie, moeten worden behandeld volgens een door de behandelende dierenarts voorgeschreven schema, aangepast aan de individuele situatie van herinfectie/-infestatie met parasieten. Anders moet een diergeneesmiddel met een smal spectrum worden gebruikt om een duurzame behandeling tegen relevante parasieten te garanderen.
Hartworm endemische gebieden:
Katten die in gebieden leven die endemisch zijn voor hartworm en worden herkend als jagers, kunnen met maandelijkse intervallen worden behandeld om zowel een geschikte preventie van hartwormziekte als de behandeling van mogelijke herinfectie met cestoden te garanderen. Anders moet een diergeneesmiddel met een smal spectrum worden gebruikt voor verdere behandeling.
Preventie van hartwormziekte door het doden van Dirofilaria immitis larven moet gestart worden binnen 1 maand na de eerste verwachte blootstelling aan muggen en moet worden voortgezet tot tenminste 1 maand na de laatste blootstelling aan muggen.
Feline longworm endemische gebieden:
Katten met een verhoogd risico (jachtgedrag) die in endemische gebieden leven, kunnen met maandelijkse intervallen behandeld worden om het risico op het ontstaan van volwassen longwormen die verantwoordelijk zijn voor klinische aelurostrongylose te verminderen en om mogelijke herinfectie met cestodes te behandelen. Anders moet een diergeneesmiddel met een smal spectrum gebruikt worden voor verdere behandeling.
Longworm behandeling:
Er kan geen of slechts weinig effect verwacht worden op het vrijkomen van L1 larven van A. abstrusus in de feces binnen ongeveer twee weken na de behandeling, door de trektocht van de L1-larven uit de longen door het spijsverteringskanaal. Elke telling van larven in de feces om de werkzaamheid van de behandeling te controleren (en de beslissing of een tweede behandeling met een diergeneesmiddel met een smal spectrum nodig is), mag daarom op zijn vroegst pas twee weken na de behandeling worden genomen.
Oormijten:
Bij oormijten moet 4 weken na de behandeling verder onderzoek gedaan worden door de behandelende dierenarts om te bepalen of een aanvullende behandeling met een diergeneesmiddel met een smal spectrum nodig is.
Oogwormen:
Het volledige behandelingsresultaat tegen Thelazia callipaeda wordt verwacht 14 dagen na de behandeling.
Wachttijd(en)
Niet van toepassing
Bijzondere bewaarvoorschriften
Buiten het zicht en bereik van kinderen bewaren.
Bewaar de ongebruikte applicator in de blisterverpakking ter bescherming tegen licht.
Gebruikte applicatoren dienen onmiddellijk te worden verwijderd.
Dit diergeneesmiddel niet gebruiken na de uiterste gebruiksdatum vermeld op de kartonnen doos, blister en applicator na Exp.
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen van niet-gebruikte diergeneesmiddelen of eventueel afvalmateriaal
Geneesmiddelen mogen niet verwijderd worden via afvalwater of huishoudelijk afval.
Dit diergeneesmiddel of een lege applicator mag niet in het oppervlaktewater terechtkomen, aangezien esafoxolaner gevaarlijk kan zijn voor vissen en andere waterorganismen.
Maak gebruik van terugnameregelingen voor de verwijdering van ongebruikte diergeneesmiddelen of uit het gebruik van dergelijke middelen voortvloeiend afvalmateriaal in overeenstemming met de lokale voorschriften en nationale inzamelingssystemen die op het desbetreffende diergeneesmiddel van toepassing zijn. Deze maatregelen dragen bij aan de bescherming van het milieu.
Vraag aan uw dierenarts of apotheker wat u met overtollige diergeneesmiddelen dient te doen.
De datum waarop de bijsluiter voor het laatst is herzien**
3 oktober 2024
Overige informatie
Kartonnen doos met 1, 3, 4 of 15 blisterverpakking(en) met 1 applicator (0,3 ml per stuk).
Kartonnen doos met 1, 3, 4, 6 of 15 blisterverpakking(en) met 1 applicator (0,9 ml per stuk).
Het kan voorkomen dat niet alle verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.
Registratienummer:
REG NL 127616 NexGard Combo spot-on oplossing voor katten < 2,5 kg
REG NL 127617 NexGard Combo spot-on oplossing voor katten 2,5 - 7,5 kg
**Datum van toevoegen/wijziging van bovenstaande bijsluitertekst op diergeneesmiddelen.info: 29 september 2025 (NB het is mogelijk dat een eventuele nieuwere versie nog niet in de collectie van diergeneesmiddelen.info is verwerkt).
Status voor gebruik bij dieren in Nederland
Diergeneesmiddel op voorschrift.
anti-diarree